Handelingen LXI (2007)

5 – Christophe Collard, “Sorrow was all my soul”: een blik op de existentiële conflicten in George Herberts Temple

23 – Nathalie Kremer, De illusie van het kunstwerk als Pygmalion-effect in de esthetica van de achttiende eeuw

43 – Christophe Madelein, Van schets tot ets. Het verhevene van Immanuel Kant in het Nederlands, tot tweemaal toe

61 – Hilde Moors, Goede boeren, slechte mensen? — Een analyse van waarden en/of tendens in Stiefmoeder Aarde door Theun de Vries

75 – Noël Reumkens, De i van Schwitters, (g)een verhaal apart

89 – Martine Delorge, De constructionele ontwikkeling van Nederlandse receptieve werkwoorden: een diachrone corpusstudie

Modern cognitief onderzoek besteedt heel wat aandacht aan de betekenis van grammaticale patronen en de interactie tussen verbale en constructionele semantiek (met de opkomst van de constructiegrammatica, bijvoorbeeld – cf. Goldberg 1995). Toch is er nog steeds een gebrek aan gedetailleerde diachrone studies. In deze lezing wil ik een bijdrage leveren tot het opvullen van die leemte door de verschuivingen en evoluties in de grammaticale mogelijkheden van vier receptiewerkwoorden in het Nederlands te onderzoeken: verkrijgen, ontvangen, verwerven en begeren.

Deze paper vertrekt vanuit de observatie dat de oorspronkelijke bezitter of bron van de ‘krijgen’-gebeurtenis in oudere fasen van het Nederlands uitgedrukt kon worden als een prepositioneel object met aan, zoals geïllustreerd in (1). Deze mogelijkheid is grotendeels verdwenen uit de Nederlandse grammatica: in het hedendaags Nederlands wordt de oorspronkelijke bezitter gewoonlijk gecodeerd door middel van een constructie met het voorzetsel van, zie (2)

(1) So vercreegh si aen onsen Heer, dat si met heme soud deelen de pine. (Leven van Sinte Christina de Wonderbare, 14de of 15de eeuw)

(2) Hij verkreeg informatie van een Pakistaan over troepenbewegingen in Kashmir. (NRC Handelsblad)
Een grondige zoektocht in de citatendatabases van het Middelnederlandsch Woordenboek en het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) wijst op een verandering in het constructionele gedrag van verkrijgen, ontvangen, verwerven en begeren: in het Middelnederlandsch Woordenboek verschijnen deze werkwoorden allemaal in voorbeeldzinnen met een aan-constituent. In het WNT, dat materiaal bevat van de 16de tot de 20ste eeuw, worden echter geen voorbeelden van dit type meer aangetroffen vanaf de 18de eeuw. Deze vaststelling leidt ons tot de hypothese dat de aan-constructie bij deze werkwoorden ten laatste in de 17de eeuw verdwenen is.

Op basis van verschillende diachrone corpora van het Nederlands (met tekstmateriaal daterend van het Middelnederlands tot het hedendaags Nederlands) zal ik nagaan in hoeverre de corpusresultaten de data in de woordenboeken ondersteunen en tot op welke hoogte bijkomende observaties gemaakt kunnen worden over de ontwikkeling van deze receptiewerkwoorden.

Referenties

Goldberg, A.E. (1995) Constructions: a construction grammar approach to argument structure. University of Chicago Press, Chicago.
Middelnederlandsch Woordenboek. E. Verwijs & J. Verdam. 11 delen, ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1885-1952
WNT = Woordenboek der Nederlandsche Taal op cd-rom: AND Publishers, Rotterdam, 2000

109 – Leen Impe & Dirk Speelman, Vlamingen en hun (tussen)taal: een attittudineel mixed guise-onderzoek 

In dit experimenteel onderzoek zijn taalattitudes ten opzichte van de Vlaamse tussentaal onderzocht. Om recht te doen aan de linguïstische diversiteit in Vlaanderen zijn zowel de standaardvariëteit als de West-Vlaamse, Limburgse en Brabantse tussentaal in het onderzoek betrokken. Het attitudeonderzoek is uitgevoerd aan de hand van een mixed guise-design. In concreto kreeg een groep West-Vlaamse en Limburgse adolescenten vier bandopnames te horen die waren ingesproken in de vier bovenvermelde taalvariëteiten, zonder dat de proefpersonen wisten dat meerdere fragmenten van eenzelfde spreker afkomstig waren. Vervolgens werden ze gevraagd hun mening aan te vinken op enkele vragen die op het eerste gezicht op de persoonseigenschappen van de spreker(s) focusten. Aangezien er echter minder sprekers dan stimulusfragmenten waren, kon de attitude van de informanten ten opzichte van de verschillende taalvariëteiten in plaats van ten opzichte van de sprekers van die variëteiten worden getraceerd. Aan de hand van een principaalcomponentenanalyse zijn tenslotte drie onderliggende variabelen (de statusdimensie, de sociale attractiviteitdimensie en de persoonlijke integriteitdimensie) blootgelegd die de attitudeverschillen bij de verschillende informanten moesten verklaren. Daarbij leverden vooral de variabelen ‘regio’ en ‘geslacht’ significante attitudeverschillen op, respectievelijk een “minority group reaction” en het feit dat vrouwen prestigegevoeliger zijn dan mannen. Tot slot bleken ook de tussentaligheidsgraad en de vlotheidsgraad van het taalmateriaal een niet te onderschatten rol te spelen in de attitudevorming van de Vlamingen.

129 – Catharina Peersman, De opkomst van de volkstalen in de oorkonden van de abdij van Ninove. Casestudy van een bewogen eeuw (1250-1350)

De middeleeuwse oorkonden van de voormalige abdij van Ninove, die het corpus van onze doctoraatsthesis vormen, bieden talrijke onderzoeksmogelijkheden voor zowel historici als taalkundigen. Vanuit historisch sociolinguïstisch perspectief analyseren wij de oorkonden op twee manieren: van elke oorkonde geschreven tussen 1137 (stichting van de abdij) en 1350 (einde van het Oudfrans) in het Latijn, het Oudfrans of het Middelnederlands maken we een sociaal-historisch profiel op dat vervolgens, voor wat de Oudfranse oorkonden betreft, wordt aangevuld met een dialectanalyse. De combinatie van deze twee invalshoeken maakt het mogelijk om de omstandigheden te reconstrueren waarin de geschreven volkstalen verschenen in ons corpus. In dit artikel behandelen we de bewogen eeuw (1250-1350) die niet alleen het geschreven Nederlands en Frans zag verschijnen naast het Latijn, maar ook de wisselende verhoudingen tussen beide volkstalen.

147 – Anneleen Vanden Boer, Meertaligheid in de Belgische administratie: Duits in theorie en praktijk

Binnen het kader van de Belgische taalpolitiek kijk ik specifiek naar de praktische toepassing van de Belgische taalwetgeving inzake Duits. Uit klachtendossiers opgesteld door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht blijkt dat er in deze context een discrepantie zichtbaar is tussen de voorgeschreven taalwetten en de dagelijkse toepassing ervan door de Belgische openbare diensten. In dit doctoraatsproject zal aanvankelijk gezocht worden naar de factoren die deze discrepantie veroorzaken. Na een grondige analyse van de huidige taalwetgeving en het profiel van het onderzoeksgebied wordt naar onderzoeksmethoden gezocht die tijdens het veldwerk ingeschakeld kunnen worden om de bepalende factoren te achterhalen. Aansluitend zal een voorstel gedaan worden om het topic open te breken naar een ruimere vraagstelling waarin geprobeerd wordt de ‘uitvoerbaarheidgraad’ van een taalpolitiek of taalbeleid te bepalen vóór de implementatie ervan.

161 – Floris Bernard, Verzen voor vriend en vijand: contexten van elfde-eeuwse Byzantijnse poëzie

177 – Wim Broeckaert, Tituli picti en Monte Testaccio. Het belang van amfoorstudies voor de studie van navicularii en het transportwezen in de Romeinse keizertijd

199 – Marijke Janssens, Marcus Aurelius’ Τὰ εἰς ἑαυτόν: meelezen in de persoonlijke notities van een keizer

219 – Alexander Meeus, De territoriale ambities van de diadochen in de eerste jaren na de dood van Alexander de Grote (323-320 n.Chr.) 

Er bestaat een algemene consensus dat zich na de dood van Alexander III de Grote (juni 323) twee tegengestelde strekkingen zouden hebben gemanifesteerd bij zijn onmiddellijke opvolgers, de zogenaamde diadochen. Terwijl enkelen ernaar zouden hebben gestreefd de hand te leggen op de volledige erfenis, zouden de meesten zich telkens met een deel van het uitgestrekte rijk hebben tevredengesteld. Deze lezing onderzoekt of die communis opinio wel gegrond is. Zowel Diodorus als Cornelius Nepos beweren immers expliciet dat alle diadochen de ambitie koesterden hun macht te vestigen over het hele rijk en geen enkele antieke auteur vermeldt eventuele separatistische tendenzen. De vraag dringt zich dan ook op of de elementen die traditioneel als tekenen van separatisme zijn beschouwd, ook niet op een andere manier kunnen worden geïnterpreteerd.

237 – Nadia Sels, Waarom de mythe geen antwoord geeft: Hans Blumenbergs alternatieve benadering van het mytheonderzoek

255 – Thomas Buerman & Tine Van Osselaer, Op zoek naar de goede katholiek m/v. Feminisering en masculiniteit in het katholicisme in België sinds de vroegmoderne tijd (ca. 1750-1950)

269 – Rajesh Heyninckx, Een geconstrueerd denken. Over religie en architecturale metaforen in Vlaanderen (1918-1940)

293 – Bart Latré, Feministisch christendom in Vlaanderen 1979-1990: een nieuwe “vervrouwelijking”?

317 – Valeria Van Camp, Grafelijke netwerken en oorkonden. Schriftelijke communicatie tussen vorst en onderdanen in Henegouwen, 1280-1345

329 – Over de auteurs

335 – Werkzaamheden 2007

343 – Bestuur 2007

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s